•• Management, advies & coaching ••

Column Herman Sietsma: "Maak verschil"

Openbaar bestuur: it’s the economy! (?)

Het recent verschenen rapport van de Studiegroep Openbaar Bestuur onder leiding van SG van Zwol van BZK "Maak verschil" geeft een even interessante als opmerkelijke bijdrage in de discussie over het openbaar bestuur.

Interessant is het rapport omdat het na lange tijd weer een inhoudelijke oriëntatie kiest -het focust sterk op inhoudelijke uitdagingen en is minder gericht op de vorm- en vooral in de achtergrondstudies is veel interessant materiaal opgeslagen.
Maar opmerkelijk is het rapport eveneens. De rationale van het openbaar bestuur wordt nagenoeg exclusief gelegd bij de functie ervan voor de (regionale) economie. Van een functie voor het openbaar bestuur om tot integratie en afweging te komen van belangen vanuit de trits people, planet and profit (de sociale, duurzaamheids- en economische opgaven) wordt in de studie weinig vernomen.

Toegegeven: de bron voor deze fixatie ligt niet bij de Studiegroep zelf, maar bij de opdracht van minister Plasterk, die hij in november 2014 uitreikte. Hij vroeg een rapport waarin de gevolgen van het functioneren van het openbaar bestuur voor de economische ontwikkeling van ons land zou worden aangegeven. Voorzeker een belangrijk thema, voor een neo-liberaal kabinet, maar van de Werkgroep had verwacht mogen worden dat ze kanttekeningen had geplaatst bij deze eenzijdige oriëntatie op de geschiktheid van het openbaar bestuur aan de nationale verdiencapaciteit. De aanleiding voor de studie ligt in het feit dat er kansen worden gemist als het gaat om de economische groei. De inrichting en werkwijze van het openbaar bestuur zijn te uniform en te weinig flexibel om te kunnen inspelen op de regionaal-economische opgaven, aldus het rapport. Het kan zijn dat deze probleemstelling juist is, al is de bewijsvoering voor deze stelling in de rapportage tamelijk gering.

Maar het lijkt niet overdreven om de problematiek, die het openbaar dient te behartigen, niet slechts te fixeren op de economie, maar ook uit te gaan van de opgaven op het gebied van duurzaamheid en de sociale cohesie. De instrumentele functie van het openbaar bestuur, gericht op het economische aspect van het leven, overvleugelt de intrinsieke betekenis ervan in dit rapport volledig. Zouden legitimiteitsvragen van het openbaar bestuur niet mede in beschouwing moeten worden genomen als inrichtings- en werkingsvragen worden besproken? Hoe ernstig zou het zijn als de bevordering van de economische acceleratie optimaal werd gewaarborgd, door een wendbaar en flexibel openbaar bestuur, maar tegelijkertijd belangen van milieu en duurzaamheid of die van de lokale en regionale democratie worden geschaad? Grappig is in dit verband dat het woord “ ecosysteem” in het rapport éénmaal voorkomt, nl. in symbolische zin, waar “het ecosysteem van de economie” wordt genoemd. Of hoe ingrijpend zou het zijn als de economie optimaal wordt gefaciliteerd, maar de bevolking via haar democratische rechten te weinig bij betrokken is?

De democratische borging van het handelen van het openbaar bestuur krijgt in het rapport hoegenaamd geen aandacht. En dat mag opmerkelijk heten, omdat eerdere plannen tot hervorming die een sterke concentratie kenden op de regionale economie (het rapport-Montijn, de stadsprovincies) bij de implementatie juist hun begrenzing vonden in de legitimiteitsvragen. De democratische borging van het –overigens onontkoombare- flexibel en wendbaar functioneren van de overheid in netwerken is nog overwegend onontgonnen terrein. Er is geen twijfel over dat deze netwerkachtige aanpak de toekomst heeft. Maar daar hoort wel bij dat de risico’s van eenzijdige en onvoldoende controleerbare behartiging van belangen worden onderkend en ondervangen. De “ economische ontwikkeling” is niet waardenvrij, maar kent vele en veelal minder transparante belangen.

In de bijlage Openbaar bestuur en economische ontwikkeling, een waardevol achtergronddocument bij de studie, wordt ter staving van het belang van de kwaliteit van het openbaar bestuur voor de welvaartsontwikkeling verwezen naar Pieter de la Court, die in 1662 in zijn bekende Interest van Holland de republikeinse staatsvorm verdedigde boven de monarchie, dit in het belang van de welvaart. Het is geen sterke bewijsvoering. Het volk had tien jaar later, in 1672 - het rampjaar waarin alles fout ging, schoon genoeg van deze welvaartstheorie en het schreeuwde om een stadhouder die het land moest redden. Stadhouder Willem III zag vervolgens kans om met slimme diplomatie en steun van zijn benarde volk Lodewijk XIV te verjagen. Daarna ontwikkelde de welvaart in de Republiek zich explosief. De monarchie is er nog steeds in Nederland en de welvaart is in weinig landen groter.

Het kan verkeren.

Naar het overzicht