•• Management, advies & coaching ••

De ambtenaar en de overheid

Ambtenarenwet in  revisie

 

Al zes jaar is een wetsvoorstel onderweg naar de eindstreep; het gaat, zou je kunnen zeggen, in een ambtelijk tempo. Kern van het voorstel, dat is ingediend door twee Kamerleden (van CDA en D66) is de afschaffing van de specifieke ambtelijke status die zich kenmerkt door de eenzijdige aanstelling en door een relatief sterke rechtsbescherming.

 

In het verleden is die bijzondere positie van de ambtenaar gemotiveerd met het bijzondere van de werkgever, de overheid. Het werd onjuist gevonden als de overheid op dezelfde manier als andere werkgevers zou moeten onderhandelen over bv. arbeidsvoorwaarden. Bovendien zouden ambtenaren, vanwege het publieke karakter van hun werk, specifieke bescherming behoeven in geval van conflicten met de werkgever. In de Ambtenarenwet uit 1929 is dus een specifieke positie voor de ambtenaar als werknemer geregeld.

 

Van  deze specifieke positie is vaak een karikatuur gemaakt (bv. dat ambtenaren niet ontslagen zouden kunnen worden, een sprookje) en ook is het verschil tussen ambtenaren en “gewone” werknemers op veel punten al teruggedrongen. Over arbeidsvoorwaarden bv. praten de bonden zodanig mee dat hun instemming onmisbaar is. Maar feit is dat er nog steeds onlogische verschillen zijn, bv. ten aanzien van  de individuele rechtsbescherming en bij mogelijkheden om bezwaar aan te tekenen tegen allerlei besluiten. Wellicht mede door deze verschillen vlot ook de onderlinge doorstroming van werknemers in de publieke sector (ambtenaren) en het bedrijfsleven niet erg.

 

Om aan deze verschillen een einde te maken willen indieners van het wetsontwerp nu de specifieke ambtelijke status en de daarbij behorende specifieke rechtsbescherming laten vervallen (behalve voor militairen, leden rechterlijke macht en enkele andere groepen). Ambtenaren moeten dan bij arbeidsgeschillen gewoon naar de rechter, in plaats van bij bezwaar en intern beroep naar de bestuursrechter. Ook zou onderhandelen over aanstelling en arbeidsvoorwaarden veel meer moeten gaan zoals in de private sector; op basis van gelijkwaardigheid van partijen.

 

Het lijkt logisch allemaal en de reeds ingezette gelijkschakeling is op een aantal punten goed te verdedigen. Toch knaagt er iets. Het gaat niet zozeer om de positie van de ambtenaar, maar om die van de overheid. De redenering dat er aan de overheid als werkgever weinig bijzonders is kan ik niet delen. De overheid is niet - alleen - een “gewone” leverancier van (collectieve) goederen en diensten, maar eerst en vooral de instantie die een “ambtelijke” opdracht heeft om recht te realiseren en te handhaven. De overheid is dus niet (alleen) uitvoerder van de wens van consumenten - dan zou besturen een kwestie zijn van voortdurend stemmen tellen - maar ze moet tegen de wens van burgers-consumenten, met het oog op het algemeen belang, daar ook tegenin durven en kunnen gaan. Dat heeft ontegenzeggelijk betekenis voor haar werknemers.

 

Het wetsontwerp komt eind september in de Eerste Kamer aan de orde. Maar eens zien hoe de Senaat aankijkt tegen “de ambtenaar” maar, wat mij betreft, ook en vooral tegen “de overheid”.

Naar het overzicht