•• Management, advies & coaching ••

Heeft de provincie vernieuwsagenda nodig?

Provinciale democratie naar 2030

Lezing te Almere voor PS Flevoland op 6 april 2017 – Herman Sietsma

 

  1. Hoe functioneert Flevoland in 2030?

Het voorspellen van de toekomst van provincies is een hachelijke zaak.  

Want welke ideeën, beelden, plannen en voorspellingen zijn in het verleden al niet gepasseerd?

*jaren  ’70: plannen voor een extra  laag in het regionaal bestuur: de gewesten;

*jaren ’80: plannen voor operationele  mini-provincies;

*jaren ’90-: plannen voor stadsprovincies;

*2013: Noordvleugelprovincie.

 

Aan ideeën of plannen voor indeling of taken van het midden-bestuur is  dus geen gebrek geweest.

Er is echter weinig van al die plannen, voornemens en voorspellingen terecht gekomen.  Het enige nieuwe, als het gaat om provinciale indeling, is de geboorte en groei van de provincie Flevoland, nu 31 jaar geleden. En de ontwikkeling van de Metropoolregio Amsterdam, nu een belangrijke partij in het binnenlands bestuur,  was in die plannen niet voorzien.

Wel zijn de rollen en de (kern-) taken van provincies beter gearticuleerd, o.a. via het Kompas 2020 van het IPO uit 2015.

2030: dat duurt nog 13 jaar, een lange periode voor politici, maar terugkijkend is het zoiets als je afvragen hoe het in 2004 was; toen was de Euro er al, we leefden in de tijd van Balkenende II. Voor je het weet is het zover.

  1. Maatschappelijke trends: groeiende onzekerheid

Er is een tweede reden waarom voorspellingen kwetsbaar zijn: de maatschappij is sterker dan ooit in beweging.  Hoe ziet de wereld van 2030 er uit?

Trends van individualisering, informatisering en internationalisering zijn al langer bekend; ze zetten met kracht door en hebben enorme gevolgen (gehad) voor het openbaar bestuur.

Er komen echter met hoge snelheid nieuwe werkelijkheden aan die onze wereld van territoriaal gedecentraliseerd bestuur op z’n kop kunnen zetten. Ik noem er slechts drie:

*de rol van de techniek;  de combinatie van menselijke intelligentie en kunstmatige intelligentie komt onder handbereik; de mens gaat samenvallen met de machine. Vorige week was Elon Musk, de man achter Tesla, in het nieuws met zijn bedrijf Neuralink ; hij wil het menselijke brein integreren met kunstmatige intelligentie om te voorkómen dat de computer de mens gaat overheersen; Wat gaat dit betekenen voor democratie en bestuur?

*maatschappelijke perspectieven, onder andere door migratie en multi-culturaliteit waardoor geheel andere vraagstukken aan de orde zijn dan in de welvaartsstaat van 20 jaar geleden. Als ongelijkheid èn onbehagen in de samenleving verder groeien zal dit zeker (negatief) doorwerken in democratie en openbaar bestuur;

*de duurzaamheidsproblematiek die leidt tot ongekende uitdagingen die samenhangen met bewoning van deze aarde; veel vanzelfsprekendheden zullen ter discussie komen;   klimaatmigratie en gebrek aan grondstoffen op ongekende schaal ; welke effecten heeft dit op democratie en bestuur?

Wat is in het licht van deze contingenties de waarschijnlijkheid van een voorspelling over de toekomst van provincies?

Eén ding is zeker:  een stabiel  democratisch systeem is essentieel  om de impact van bovenstaande ontwikkelingen te kunnen opvangen. Daarom wil ik mijn verhaal concentreren op ons democratisch systeem, in het bijzonder ook dat van de provincie.

  1. Trends in politiek en openbaar bestuur

Ik wil stilstaan bij één specifieke factor, namelijk die van de veranderingen in de  politiek en het democratische openbaar bestuur zelf. Welke trends  zijn zichtbaar in de wereld van democratie, politiek en bestuur?

Ik zal eerst enkele algemene trends aangeven, en daarna ingaan op de specifieke positie van de provincie.

*een sterk geslonken vertrouwen in  politieke partijen;

politie en rechters kunnen nog wel op voldoende vertrouwen rekenen (70%), gevolgd door  regeringen  met zo’n 50% en  parlementen  met 40%, maar onderaan bungelen de politieke partijen met zo’n 30% (in het goede gezelschap van de media en de kerken);

 (SCP, Meer democratie, minder politiek, 2015; Andeweg en Thomassen, Individualisering en politiek vertrouwen in Nederland, 2011);  

*een sterke behoefte aan meer invloed van burgers in het publieke domein;

niet het vertrouwen in de democratie lijkt ter discussie te staan (ruim 80% vindt Nederland voldoende democratisch), maar breed wordt  door burgers gebrek aan invloed ervaren. Meer dan 50% van de kiezers  wil méér zeggenschap, directe invloed, referenda etc. (SCP: Meer democratie, minder politiek, 2015);

*kleine elite bepaalt politieke koers en vervult bestuurlijke functies

de dienst in het publieke domein wordt in toenemende mate uitgemaakt door een zeer beperkt deel van de bevolking, maximaal ongeveer één-vierde procent van alle kiezers ( ¼ % , dat is 1 op de 400 kiezers!!).      

Rekent u maar na: het  ledental van politieke partijen is geleidelijk teruggelopen van 14% in 1948 naar zo’n 2,5% van de kiesgerechtigden (nu); daarvan is dan plm.  10% actief lid, dat wil zeggen dat een actieve rol wordt vervuld voor partij en/of democratische organen. Dat zijn er  er maximaal 30 000, (sommigen noemen zelfs het getal van 10 000); dit is dus de elite die  de partijprogramma’s bepaalt, kandidaten recruteert,  functies verdeelt,  coalities sluit  etc;

*vooral hoger opgeleiden hebben invloed

de democratie lijkt met name iets voor de hoger opgeleiden: deelname aan verkiezingen, maar vooral  het lidmaatschap van partijen is overwegend  een aangelegenheid van de hoger opgeleiden(Mark Bovens en Anchrit Wille, Diploma-democratie, 2011).  

Academici zijn gemiddeld 6x meer actief dan degenen zonder opleiding en nieuwe vormen van participatie -bedoeld om de kloof te dichten-  hebben de ongelijkheid  alleen maar versterkt: meer democratie lijkt paradoxaal genoeg te leiden tot meer oligarchie (Bovens, 48/49);

*burgers hebben als belanghebbenden veelal last van de overheid

De regeldichtheid in ons land (en Europa) is zo groot dat allerlei initiatieven worden gesmoord. Wie bv. een energiecoöperatie wil oprichten (een positief te waarderen initiatief) krijgt met allerlei regels en voorwaarden te maken die de neiging om een maatschappelijk initiatief te ontwikkelen  snel doen verdwijnen.

De Kafka-brigiade wordt frequent te hulp geroepen om onmogelijke bureaucratische situaties aan te pakken. De bureaucratie hanteert allerlei normen, terwijl de achterliggende waarden uit beeld verdwenen zijn.

Veel gemeenten hebben op hun website een meldingspunt: “Last van de overheid”. 

Er is een prachtige strofe van een cabaretier avant-la-lettre, Abraham de Winter, geschreven ter gelegenheid van de Woningwet (1901):

Ze maken wetten hoe een mens moet wonen

En hoe vaak hij moet wassen en verschonen

Hoe groot je huis moet zijn, hoe lang en breed je bed

Dat vind je allemaal in de nieuwe Woningwet

Nu was de Woningwet van 1901 echt geen vergelijking met hedendaagse bureaucratische regels; er waren toen grote misstanden in de volkshuisvestelijke sfeer in de steden, en de Woningwet was dus als sociale wet urgent.  Maar de overheidsmachine van nu lijkt –met veel instituties die hun eigen overleving nastreven-  steeds meer een regelsysteem een doel in zichzelf  geworden met zijn eigen belangen en logica, in plaats van een instrument in dienst van een waarden-gedreven samenleving.

Goede voorbeelden –met  veel vrijheid voor de burgers- zijn  er trouwens ook, zie het particulier opdrachtgeverschap in Oosterwold.

Het lijkt nu alsof de overheid de grote boosdoener is. Ik wil daarbij nuanceren: veel burgers zijn vrij onverschillig jegens het politieke systeem. Ze willen wel de rechten (beleid dat hen zint) maar niet de plichten (een lidmaatschap van een partij, actieve betrokkenheid).  Het is in die zin te simpel om het beeld te bevestigen dat politici hun eigen belang dienen; je kunt het ook zo bekijken dat zij de taken oppakken die anderen (helaas) laten liggen.

Samengevat is de conclusie dus dat de gemiddelde burger als staatsburger weinig of geen invloed heeft –en soms ook niet wil hebben- op het politieke proces  omdat daaraan maar door 1 – 2  personen op de 1000 wordt deelgenomen;  terwijl de burger als  klant van de overheid zich steeds meer in een bureaucratische jungle waant. Dit kan niet goed gaan.

  1. Urgentie

Is de situatie alarmerend?  Is er een democratische crisis?

Als dat het geval is, zal die niet alleen de Haagse, maar ook de provinciale en gemeentelijke democratie treffen. Alle reden dus om op te letten en zo nodig ook maatregelen te nemen.

Je zou zeker aan een crisis denken  als je de  formuleringen en de drastische oplossingen leest die worden ingebracht, bv. door Forum voor Democratie (Thierry Baudet). Hij wil het “partijkartel” doorbreken, omdat “die 10 000 kartelleden ronddraaien in de baantjes-caroussel; zij vormen het probleem.” 

Maar ook de keurige ROB, Raad voor het Openbaar Bestuur, die zelf tot het politieke establishment behoort, stelt:  “het is 5 voor 12 geweest” (ROB, Politieke partijen overbodig of nodig?, 2014).

De in ons land  populaire Vlaming David van Reybrouck (Tegen verkiezingen, 2013) meent dat het vertrouwen in democratie en politiek in “een vrije val” is beland en dat om die reden het noodzakelijk is de selectie van vertegenwoordigers niet via verkiezingen, maar via loting te doen plaatsvinden.

En Code Oranje, de groep van bestuurders, wetenschappers  stelt: er is noodweer op komst!   De situatie is urgent, een grondig herontwerp en radicale veranderingen zijn nodig , waarbij  samenlevingskracht en burgerzeggenschap centraal moeten staan.

Het kabinet stelde in januari jl. een Staatscommissie in onder leiding van de Noordhollandse CvdK Johan Remkes, die onderzoek gaat doen naar eventueel wenselijke wijzigingen in het parlementair stelsel en de parlementaire democratie. Je zou dus denken dat ons democratisch systeem zich in de gevarenzone bevindt.

Toch zijn er ook genuanceerdere geluiden, Tom van der Meer (Niet de kiezer is gek, 2017) stelt  dat politici niet moeten klagen over of schrikken van wispelturige kiezers. Hij ziet geen vertrouwenscrisis, maar een burger die zijn/haar eigen prioriteiten stelt.

En zo is het: in ons systeem kiest het volk zijn vertegenwoordiging en niet omgekeerd; politici kunnen verzuchten dat ze een ander volk wensen maar zij kiezen niet het volk; het volk kiest hèn. De kritiek van het volk geldt niet de democratie,  maar de politieke partijen, die (helaas) nog maar weinig actieve leden tellen. Zodoende overleeft een  bestuurscultuur die slechts gedragen wordt door ¼% van de kiezers en niet langer aansluit op de geëmancipeerde Nederlandse kiezer.  Zo komt Nederland in internationaal onderzoek naar het democratisch gehalte uit op een weinig imponerende   50e plek (Kellog’s  Varieties of democracy).

Het probleem is dus niet het functioneren van de democratie zelf, maar het beperkte en elitaire karakter ervan;  weinig directe democratie, geen directe verkiezing van bestuurders zoals burgemeesters, een gesloten partijkaste die bestuurlijke benoemingen regelt.

  1. Representatie

Het is goed nu stil te staan bij het fenomeen representatie.

Deze representatie als vertegenwoordiging van het volk lijkt eeuwenoud, maar we kennen het –op enkele uitzonderingen na, bv,. bij de Staatsregelingen in de Franse tijd-  pas sinds 1848 terwijl precies honderd jaar geleden, in 1917, het  algemeen kiesrecht werd ingevoerd.

Algemeen kiesrecht: dat betekent dat -anders dan vóór 1917- het kiesrecht niet is voorbehouden aan bepaalde groepen (bv. op grond van bezit of vermogen dan wel opleiding) maar alle kiesgerechtigde Nederlanders zijn gerechtigd tot verkiezing van de kamer-, raads- en statenleden. Ook degenen die niet van hun kiesrecht gebruik maken worden vertegenwoordigd: de Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele volk (art. 50 Grondwet ) en ze stemmen zonder last (art. 67). Dat geldt ook voor leden van gemeenteraden en provinciale staten.

Gekozenen  zijn dus geen lasthebbers, maar gemachtigden.

De volksvertegenwoordigers representeren het volk, maar ze zijn tegelijkertijd  verantwoordelijk voor wetgeving en beleid. Provinciale staten en gemeenteraden staan –anders dan de Tweede Kamer in het Koninkrijk-- zelfs aan het hoofd van de provincie resp. de gemeente. Volksvertegenwoordigers zijn immers mede-wetgever en controleur van de regering. Ook u als statenleden maakt provinciale wetten (verordeningen ) en u controleert het college van GS.

In wezen zit hier een lastige knoop (vgl. Frank Ankersmit, NRC 28 januari 2017): de combinatie van mede- wetgever/controleur van het bestuur  enerzijds –taken die tot voor burgers bindende regels en beleid  leiden, die ook de burgers onwelgevallig kunnen zijn- is feitelijk niet goed verenigbaar met representatie, vertegenwoordiging, waarbij immers verondersteld wordt dat de vertegenwoordiger  de belangen dient van de vertegenwoordigde.

De semantische oplossing van deze knoop is dat u weliswaar de burger representeert, maar niet zijn lasthebber bent; u bent  zijn/haar gemachtigde. Als u het, vanuit uw ambt en taak om het algemeen belang te behartigen,  nodig vindt te stemmen zodanig dat naar de mening van de burger diens belang niet wordt gediend,  hebt u het recht en zelfs de plicht dat toch te doen. Dat zult u als statenleden ook ervaren als u besluiten neemt die op weinig sympathie kunnen rekenen. Representatie kan dus nooit zonder eigen afweging van de vertegenwoordiger.

De politieke partijen, waarbij veel kiezers waren aangesloten, hebben lange tijd deze knoop kunnen ontwijken c.q. verzachten; ze konden zich immers beroepen op het waardensysteem waar hun partij voor stond. Nu de politieke ideologieën afsterven en de politieke partijen kleiner en vluchtiger zijn geworden beoordeelt de –overwegend partijloze-  burger zijn/haar vertegenwoordiger kritischer en constateert menigmaal dat zijn belangen niet worden verdedigd zoals hij wenst.

In grondwettelijke zin zijn alle burgers dus prima vertegenwoordigd, maar grote delen van de bevolking voelen dat niet zo.

  1. Verstatelijking en ontstatelijking

(vgl. Cie v d Donk, Op weg naar meervoudige democratie, 2016)

Dit alles heeft zich voltrokken in een sterk gewijzigd speelveld voor de politiek.

In de 2e helft van de vorige eeuw had de politiek met name betrekking op  de “harde” publieke taken:  veiligheid, orde, wegenbouw, fysieke inrichting van het land.

Taken als zorg, onderwijs, woningbouw, sociale taken speelden zich af in maatschappelijke instituties die hun eigen ledendemocratie kenden. Ongetwijfeld was daarop ook veel aan te merken, maar de staat heeft die taken onder statelijke democratie gebracht.  Soms gebeurde dat door de verzuilde instellingen volledig publiek te maken, soms ook door middel van financiering en subsidievoorwaarden.

De premisse was dat de statelijke democratie beter was dan de maatschappelijke democratie. 

Op pijnlijke wijze zijn en worden we ermee geconfronteerd dat de democratische droom maar beperkt is uitgekomen. Veel burgers zijn vervreemd geraakt van de politiek en van de overheid en intussen zijn ze hun “eigen” maatschappelijke instellingen (de vakbond, de school, de kruisvereniging) ook kwijt, want die vallen veelal in hetzelfde politieke domein.

Die overheid heeft intussen  allang geconstateerd dat de groeiende behoefte aan collectieve taken niet door haar kan worden vervuld, al was het maar vanwege de groeiende kosten. Ze doet vrij plotseling  een appèl op maatschappelijke kracht, op mantelzorg, op buurtinitiatieven e.d.

Daarbij is het soms lastig om de juiste toon te vinden: zoals Gabriël v d Brink aangeeft domineert momenteel vooral een instrumentele herontdekking (Trouw 25 maart 2017):

“als u, samenleving,  nóg meer uw best doet kunnen wij op de zorg verder bezuinigen. En dat noemen we de participatie-samenleving”.

Hierbij teken ik nogmaals aan dat de teloorgang van het maatschappelijk initiatief  niet exclusief aan politiek en overheid, maar evenzeer  aan de burgers zelf te wijten valt. In grote getale hebben burgers de politieke partijen, vakbonden, de schoolverenigingen, de kerken verlaten en de gulzigheid van de politiek liep samen met de onverschilligheid van de burger. Men kan dit betreuren,, het kan evenwel niet worden ontkend.

De staat heeft  veel vanouds maatschappelijk georganiseerde  taken tot zich getrokken, terwijl politieke partijen zijn geërodeerd en het politieke systeem door enkelen wordt beheerst en burgers afzijdig blijven. Dat kan niet goed gaan.

  1. De golfbewegingen van de staat (zie ook NSOB, Sedimentatie in sturing, 2016)

Sedert  WO 2 zijn de volgende  karakteristieken van overheidssturing  waar te nemen:

  1. de rechtsstatelijke component

Vooral na de oorlog lag veel nadruk op bescherming van de burger tegen onrechtmatig overheidshandelen. In ons land kwam een uitgebreid stelsel van rechtsbescherming tot stand ( Wet Arob, AWB), die de burger juridische positie bood; zowel inspraak, interactief beleid  als rechtsbescherming horen hierbij. Hierbij hoort een legalistische houding

Samengevat: de overheid bepaalt het beleid, maar de burger heeft daarin inbreng via inspraak en interactief beleid, en heeft  een eigen en beschermde juridische positie.\

  1. De prestatie-component

In de jaren ’80 kwam vanuit de Verenigde Staten het New Public Management overwaaien, waarbij veel meer nadruk werd gelegd op de presterende functie van de overheid. Wat heb je aan een juridisch perfect functionerende overheid als ze onvoldoende presteert? De burger werd in toenemende mate gezien als klant, de overheid moest leveren  (deliverology). Benchmarking en prestatie-indicatoren horen bij deze benadering.

Samengevat: de overheid bepaalt haar beleid op basis van de wensen van de klant.

  1. De netwerk component

De eenzijdige nadruk op de burger als klant veronachtzaamde de maatschappelijke samenhang, waarin de overheid moet  acteren: bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties. De netwerktheorie kwam op, waarbij het primaat van de overheid, binnen zekere kaders, werd afgestemd op positie van de andere actoren.

Samengevat: Het doel van de overheid in netwerken wordt niet eenzijdig door de overheid, maar samen met de andere partijen ontwikkeld.

  1. De responsieve component

De meest recente trend is dat de overheid niet alleen kaders stelt voor haar samenwerking met andere partners, maar zichzelf onderschikt aan kansrijke en kwalitatieve initiatieven die uit de samenleving voortkomen: de energieke samenleving. De overheid kan daarin nog wel deelnemen, maar bepalend is niet wat de overheid bedenkt, maar wat de burgers zelf willen.

Deze vier karakteristieken hebben zich volgtijdelijk ontwikkeld, maar doen zich simultaan voor. De rechtsstatelijke gedachte blijft het fundament voor het overheidsoptreden, maar de overheidsprestatie is cruciaal, al is het eenzijdige accent op de burger als klant  gerelativeerd. Het werken in netwerken is zowel in de bestuurskundige theorie als in de praktijk sterk ontwikkeld, en nu moet de overheid leren zich te verhouden tot de initiatieven uit de samenleving; door  zelf een stap terug te doen en daar het primaat te leggen.

  1. Zoekrichtingen door verandering van het politieke systeem

Er worden allerlei suggesties gedaan om het onbehagen van de burger te reduceren en diens invloed te vergroten. Ik noem er een aantal:           

*  Het terugdringen van de rol van politieke partijen:

*beperken aantal partijen: kiesdrempel of districtenstelsel;

*verbod afsplitsingen (“zetelroof”);

* versterking effect voorkeurstemmen. 

Het is lastig aan te geven of dergelijke maatregelen, indien ze worden doorgevoerd, zullen leiden tot meer democratie c.q. minder onbehagen bij de burgers. Als er minder partijen zijn gaan bepaalde processen wellicht sneller, maar beperking van de keuzemogelijkheden kan ook als een stap terug worden ervaren.

Het verbod van afsplitsingen leidt tot minder fracties, maar staat op gespannen voet met het “stemmen zonder last”.

  • Loting voor de samenstelling volksvertegenwoordiging

Het idee van van Reybrouck is om de kandidaatstelling van kamerleden, raads- en statenleden  niet te laten plaatsvinden door partijen, maar door loting onder alle burgers, een idee dat teruggrijpt op de Griekse democratie. Ook Code Oranje wil tenminste een deel van de gemeenteraden door loting samenstellen.

Het is een idee dat sympathie ondervindt, maar niet zeker is  dat de bevolking meer vertrouwen stelt in volksvertegenwoordigers die door loting worden aangewezen dan wanneer dit via  verkiezingen gebeurt.  Bovendien  is –zo blijkt uit experimenten- maar een fractie van de door loting aangewezenen (zo’n 10 %) bereid het ambt van volksvertegenwoordiger daadwerkelijk te bekleden (SCP, 2015). 

  • correctief referendum

Een voorstel voor wijziging van de Grondwet om een bindend correctief referendum mogelijk te maken ten aanzien van door de staten-generaal aangenomen wetsontwerpen is in eerste lezing aanvaard en ligt te wachten op behandeling in tweede lezing. Het verschil met het thans bestaande raadgevende referendum is dat de uitkomst ervan bindend zal zijn.

  1. Systeemconforme zoekrichtingen

Naast wijzigingen die worden voorgesteld door het politieke systeem te veranderen zijn er vele mogelijkheden binnen de bestaande wetgeving toepasbaar:

  • Meer deliberatie met burgers:

burgerinitiatieven:  bijvoorbeeld G 1000, via David van Reybrouck uit België overgewaaid, wordt in een 15-tal steden toegepast.  Burgers worden via loting aangewezen, stellen zelf agenda op voor beleidsmaatregelen die zij wensen. In werkgroepen worden deze onderwerpen verder gebracht.  Inmiddels is het systeem zodanig aangepast dat ook gesproken kan worden over initiatieven van het gemeentebestuur. Het ideaal is dat in elke stad en dorp een G1000 gaat functioneren. Uit ervaringen blijkt echter dat ook hier de grootste deelname is door kiezers die al politiek participeren.

  • Burgerpanels:

het gemeente- of provinciebestuur consulteert over voorgenomen maatregelen  een vaste groep inwoners, veelal digitaal; dit is  relatief eenvoudig toepasbaar.

  • burgers betrekken bij raad en staten, rekenkamers etc.

In veel gemeenten kunnen niet-raadsleden meespreken in commissies, gemeenteraad, rekenkamers e.d.

  • burgerakkoord: beperken functie coalitie-akkoord van politieke partijen en vervanging door burgerakkoord (dit is ook de claim van Code Oranje voor het komende kabinet).
  • het referendum (op initiatief burgers) of raadplegend(op initiatief overheid)

In Nederland zijn tot heden zo’n 200 lokale referenda gehouden, meestal over overzichtelijke lokale problemen zoals toepassing van de Winkelsluitingswet, verkeers- en inrichtingsmaatregelen etc.

Lokale verordeningen kennen zowel raadplegende als raadgevende referenda;  het gemeentebestuur kan een referendum uitschrijven, maar ook kan een aantal kiezers dit doen.  Er zijn zowel positieve als negatieve effecten van lokale referenda  te geven, bv. in Groningen 2001/2005 eerst negatief, later geslaagd (Vgl. Nicis Het lokale referendum in Nederland, Het lokale referendum, Tilburg University (2015).

Er zijn enkele provincies met een referendum-verordening: Groningen, Noord-Holland, Zeeland, Limburg, Utrecht.

De relatie tussen referenda en democratie wordt door burgers niet altijd ervaren! Vgl. Frank Hendriks Democratie onder druk, 2012.

  • Overdracht taken aan bewoners

Vele tientallen gemeenten kennen het  Right to challenge: het recht om als georganiseerde groep bewoners of als zzp-ers taken van gemeenten over te nemen als ze het goedkoper of beter kunnen, bv. onderhoud groen of taken op het gebied van welzijn. De WMO en de Bibliotheekwet kennen hiervoor al een wettelijke grondslag

  • Initiatieven buurt of stad

In veel gemeenten ontstaat geleidelijk meer ruimte voor zeggenschap (incl. overheveling budgetten) van burgers over de wijk, speelplekken, verkeersmaatregelen, maar ook over  grote onderwerpen zoals vluchtelingenbeleid, veiligheid; vgl. ww.civocracy.org/codeoranje

  1. Wat betekent dit alles voor provincies?

De grote maatschappelijke, ecologische en  economische belangen die op het spel staan -people, planet, profit-  maken het noodzakelijk dat de provincie van de toekomst een stabiel en robuust democratisch-politiek systeem heeft en ook door zoveel mogelijk inwoners als een stabiel en solide democratisch-politiek systeem wordt ervaren.

De provincie heeft -evenals parlement en gemeenteraad- een direct-gekozen volksvertegenwoordiging; de beste legitimatie voor legitiem politiek beleid.

Maar –hoe belangrijk ook- rechtstreekse verkiezingen zijn niet voldoende om het  democratisch-politieke systeem te borgen. Hernieuwde worteling van het provinciebeleid  in de samenleving (van gemeenten, organisaties, ondernemers, identiteitsgebonden organisaties èn individuele burgers) is van groot belang. De VNG heeft de Ontwikkelagenda Lokale democratie 2017-2022 in uitvoering, waarin allerlei lokaal-democratische initiatieven worden gestimuleerd.  De VNG heeft hiervoor een programma-organisatie ingericht die experimenten bevordert, ervaringen uitwisselt, wetenschappelijk onderzoek doet etc.  Jaarlijks stelt de gemeenteraad  de Staat van de lokale democratie vast; een update van de mate waarin het gemeentebestuur bijdraagt aan de fundering van het democratisch-politieke bestel in de samenleving.  Misschien is het een idee dat ook de provincie zo’n jaarlijkse Staat van de provinciale democratie formuleert en ambities realiseert?

De provincie van de toekomst, hoe zal ze zijn? De provincie van de toekomst zal zijn:

  1. Rechtsstatelijk

Allereerst moet de provincie in haar beleid de rechtsstatelijkheid waarborgen. Was er in het verleden bij provincies wellicht teveel positie voor juristen, mijn informatie is dat momenteel de juridische functie wordt onderschat. Alle reden voor blijvende aandacht voor de rechtsstatelijkheid!

Presterend

In de tweede plaats moet de provincie een presterende provincie zijn, die afrekenbaar is op haar ambities en taakstelling, die zich laat benchmarken en narekenen, die de maatschappelijke vraag centraal stelt en niet de eigen opvattingen;

Netwerkend

In de derde plaats is de provincie in 2030 volop actief in netwerken, omdat alleen door verbinding  met alle partners in deze gecompliceerde samenleving voortgang te bereiken is. De kunst van het netwerken is een ambacht dat bestuurders en ambtenaren in toenemende mate moeten beheersen;

Responsief

Én tenslotte zal de provincie responsief zijn ten aanzien van maatschappelijke en lokale initiatieven, die -binnen de constitutionele taak en het ambt van de gekozenen- daar kunnen worden gelaten waar ze opbloeien: in de samenleving zelf.

 Het antwoord is dus: de provincie van 2030 zal rechtsstatelijk, presterend, verbindend én responsief zijn….of ze zal niet zijn.

Naar het overzicht